De zachte kracht van Jesse

Steeds weer met een schone lei beginnen. Dat is voor Jesse Ramerman (29) de basis van zijn werk in de forensische zorg. Hij kijkt verder dan onbegrepen, risicovol gedrag. Ziet de nood en het onvermogen van de mens daarachter. Dat komt door zijn eigen levenservaring. “Ik ken de wanhoop, woede en zelftwijfel. Ik weet hoe het is om in een waas te leven en schijt aan alles te hebben. Daarom weet ik óók hoe belangrijk het is om er te mogen zijn met alles wat je bent. Onvoorwaardelijk.”

We zitten in de voorkamer van de karakteristieke jarendertigwoning waar Jesse opgroeide. Hij erfde zijn ouderlijk huis in Hengelo veel te vroeg en ging er na een flinke metamorfose wonen met zijn vrouw. “Het is opnieuw mijn thuis, alleen nu helemaal in onze eigen stijl en sfeer”, vertelt hij aan een grote houten eettafel, terwijl schuin achter hem hun donzige huisdiertje Fluff in haar hamsterparadijs rondscharrelt. In de erker bij het raam hangt een koperen halve maan, de plek waar Jesse in zijn herinnering zo het ziekbed van zijn moeder weer voor zich ziet. Ooit willen hij en zijn vrouw graag in het bos wonen, maar nu nog niet. “Emotioneel ben ik nog teveel verbonden met dit huis. Het is – naast mezelf – alles wat er nog over is van het gezin waar ik uit kom.”

In zijn vroegste jeugd woonden ze hier korte tijd met z’n vieren: vader, moeder, Jesse en zijn pasgeboren zusje. Als tweejarige peuterbroer was hij nog te klein om zich nu te herinneren of zijn ouders in die periode een vleugje van pril gezinsgeluk hebben ervaren. “Het duurde in elk geval niet lang, want mijn zusje stierf als baby. Mijn moeder was ziek van verdriet. Mijn hele jeugd had ze moeite om het thuis allemaal alleen te rooien, omdat mijn vader er amper voor ons was. Aan hem heb ik geen fijne herinneringen. Hij vluchtte in alcohol, drugs en vreemdgaan, met alle ellende van dien. Ik was elf toen mijn ouders scheidden en dat was een opluchting. Toch kwam het hard binnen toen hij voor een ander gezin koos. Ik herinner me onze pijnlijke laatste ontmoeting: hij kocht cadeautjes voor zijn nieuwe kinderen, zette mij met lege handen bij ons huis af en reed weg. Daarna heb ik hem nooit meer gezien.”

‘Op mezelf aangewezen’

“Mijn moeder en ik: wij waren twee handen op één buik”, vertelt Jesse. “Ook toen mijn vader nog wel in ons leven was, stonden wij er thuis met z’n tweeën voor. Daarom hielp ik haar waar ik kon. Eigenlijk ben ik niet dóór mijn moeder grootgebracht, maar vooral samen mét haar opgegroeid. Zij deed haar best het zo goed mogelijk te doen en mij genoeg aandacht te geven, terwijl ze vooral aan het overleven was. Daardoor was ik als kind gevoelsmatig op mezelf aangewezen. Toch waren we wel vaak samen. Buiten schooltijd mocht ik mee naar haar werk in de zorg. Daar is misschien wel de basis gelegd voor mijn eigen loopbaan. Net als zij vond ik het toen al fijn om iets voor anderen te doen. Daarom koos ik na de middelbare school voor de mbo-opleiding Maatschappelijke Zorg.”

Vlak voordat Jesse zijn diploma haalde – hij was toen negentien jaar – dreigde hij zijn moeder kwijt te raken. “Ze bleek sepsis te hebben (een heftige ontstekingsreactie, red.) en werd in korte tijd doodziek. Gelukkig overleefde ze het. Mijn moeder was fysiek best sterk, ik ken haar vooral sportief en gezond. Toch werd ze drie jaar geleden weer ernstig ziek, tijdens de pandemie. Niet corona bleek de oorzaak, maar uitgezaaide kanker. Ik ging toen weer thuis wonen, om voor haar te zorgen. We konden dit samen aan, net als vroeger. In diezelfde periode leerde ik mijn vrouw kennen, van wie ik veel steun kreeg. We trouwden vrij snel, zodat mijn moeder er nog bij kon zijn. Onze bruiloft was de laatste dag dat zij buitenshuis kwam. Ze had er helemaal naartoe geleefd. Daarna was ze op en klaar om los te laten. Ze koos voor euthanasie.”

Oorverdovend stil in huis

“Na haar beslissing volgde een intens traject. Het duurde langer dan verwacht en die laatste weken voor haar dood waren psychisch en emotioneel behoorlijk heftig voor ons beide. Alles kwam op tafel. We gingen veel terug in de tijd en er bleef geen trauma onbesproken. Ook waren er pittige discussies rondom de zorg. Zij wilde alleen mij aan haar bed en ik wilde het graag goed doen, terwijl ik tegelijk worstelde met mijn rol als verzorger. Want ik had ook ruimte nodig om haar kind te zijn, de zoon die afscheid moest nemen van zijn moeder. Helpen met douchen was voor mij een brug te ver. Het was belangrijk om daarin mijn eigen grenzen aan te geven, daarbij gesteund door familie. Alles bij elkaar was het een soort snelkookpan waarin we terecht kwamen. Terugkijkend werd ik die periode geleefd door de situatie, het was allemaal op het randje.”

“Na haar overlijden was het hier oorverdovend stil in huis, terwijl buiten de wereld gewoon doordraaide. Opeens was alles teveel voor me. Ik kwam in een diep dal terecht, waarin ik twijfelde aan het bestaan en mezelf echt ben kwijtgeraakt. Alle woede en wanhoop die er – ondanks eerdere hulp – nog in me zat, kwam er in die periode uit. Tegelijk boeide niets me meer, ik had schijt aan alles. Nu heb ik spijt van dingen die ik toen gedaan heb, al heb ik er ook vrede mee. Op dat moment kon ik niet anders. Wat ik nodig had, was iemand die zonder oordelen naar me luisterde. Dat ik er mocht zijn met alles wat er in mij leefde. Daarom was het geweldig dat mijn vrouw er in die periode onvoorwaardelijk voor mij was. Het gaf me tijd om te ontdekken wat me nou echt mij maakt, de Jesse die ik ben. Dat is een zoektocht die nog steeds voortduurt, al heb ik mezelf en mijn leven intussen weer behoorlijk opgebouwd.”

‘Dit kan ik en dit wil ik’

Het leven gaf Jesse openingen om de draad weer op te pakken. Een toevallige ontmoeting bij een vakantie in Griekenland bracht de ommekeer. “We troffen daar een Nederlandse die in de forensische zorg bleek te werken. Ze grapte dat ik een echt ‘instellingshoofd’ heb. Zij zag iets in me dat raak was. Tijdens het ziekbed van mijn moeder was ik tijdelijk gestopt met de hbo-opleiding Social Work die ik naast mijn werk in de zorg had opgepakt. Die baan had ik ook niet meer, maar dankzij die ontmoeting in Griekenland kreeg ik een kans bij de organisatie waar ik nu werk. Ik had eerder al ontdekt dat werken met uitdagende doelgroepen me goed ligt. Mijn eerste contract kreeg ik aangeboden na een enorme escalatie op een groep. Ik stond na afloop te trillen op mijn benen, maar voelde ook heel sterk: dit kan ik en dit wil ik.”

“Zelftwijfel steekt soms nog de kop op. Toch heb ik me leren richten op wat ik wél kan. En dat is anders kijken naar ‘onbegrepen en risicovol’ gedrag en daarmee om kunnen gaan. Ik zie de mensen achter de incidenten. Als iemand agressief is, begrijp ik dat die uitbarsting iets vertelt over de emoties en behoeften waar die persoon zich op dat moment niet bewust van is of niet goed kan uiten. Ik besef dat uitvallen nooit persoonlijk op mij gericht zijn en daarom begin ik steeds weer met een schone lei. Zodat cliënten voelen dat ik er onvoorwaardelijk ben, in goede én slechte tijden. Daarbij heb ik wel geleerd om stevig te staan en duidelijke grenzen te stellen. Je komt jezelf in dit werk echt tegen en ja, dat is soms confronterend, maar vooral leerzaam. Ook in mijn eigen leven heb ik ondervonden dat leren met vallen en opstaan gaat. Zelfs al gaat het eerst een paar keer verkeerd, als je de moed niet opgeeft en blijft proberen, ontdek je gaandeweg wat wél werkt. En daarbij kan ik steeds meer bouwen op mijn zachte kracht.”

Zelfwaardering en gezien worden

“Door de intensiteit van mijn baan merk ik dat rust en balans belangrijk voor me zijn. Toch ben ik ook nieuwsgierig naar meer. Wat kan ik allemaal? Daarom heb ik die hbo-opleiding Social Work weer opgepakt. Recent ben ik doorgegroeid naar de rol van persoonlijk begeleider én ik ben gevraagd voor het interne Opvangteam, waar collega’s kunnen aankloppen die na incidenten wat extra steun nodig hebben. Allemaal goed nieuws waar ik best trots op ben. Soms mis ik dan mijn moeder en wil ik vooral háár schouderklopje en complimenten. Tegelijk is mijn zelfwaardering door dat gemis gegroeid. Het gaat erom wat ik vanbinnen voel, dat ik zélf blij kan zijn met kleine successen. En dat leer ik steeds beter. Al wil ik ook graag gezien worden door anderen. We zijn in ons werk gewend te horen wat beter kan, terwijl ik het ook fijn vind als iemand zegt: dat heb je goed gedaan. Sinds ik dat heb aangegeven, kom ik erachter dat collega’s dat ook nodig hebben.”

“De cliënten waarmee we werken, zijn in veel opzichten een belangrijke spiegel. Wat ik aan hen meegeef, geldt ook voor mezelf. Zij zitten niet voor niets gesloten en hebben behalve psychische problematiek in veel gevallen een licht verstandelijke beperking, maar in de kern verschillen we niet zoveel. We zijn allemaal mensen met emoties en vergelijkbare verlangens en behoeften. En we hebben allemaal dingen meegemaakt. Mensen die in de zorg werken, willen er graag voor de ander zijn. De valkuil is dat we soms vergeten dat we zelf ook mens zijn en daar ben ik me steeds beter bewust van. Mijn levenservaringen hebben me ertoe gedreven om te praten, om uit te spreken wat ik echt voel. En dat vraag ik ook van cliënten en collega’s. Als iets je dwars zit of lastig is: zeg het, ga in gesprek. Anders blijft het in je systeem zitten en krijg je er last van.”

‘Fluff laat vreugde stromen’

Toch is goed blijven voelen volgens Jesse nog belangrijker dan praten. “De beschermlaag die ik bij cliënten vaak zie, heb ik ook zelf ervaren: een punt waarop je niet meer wilt of kunt voelen, omdat het te pijnlijk is. Dan is het nodig om te doseren en om positieve emoties te triggeren, zodat je ervaart dat er méér in je zit dan alleen wanhoop, woede en verdriet. Bij mij laat onze dwerghamster Fluff veel vreugde stromen. Ze roept vertedering in me op en haar onhandige manoeuvres zijn heel grappig. Als ik even vastloop, helpt het ook om dingen te doen of te maken: miniaturen schilderen – ik ben een echte fantasynerd – of zelf een kast timmeren. Verder doet muziek luisteren me altijd goed. En naar buiten gaan: wandelen, mountainbiken of in de tuin bezig zijn. Daarom dromen mijn vrouw en ik van een huisje in het bos met wat eigen grond. We werken beide in de zorg en hoe mooi het werken met mensen ook is, de intensiteit ervan vraagt ruimte om weer tot jezelf te komen.”

Fotografie: Rikkert Harink